Kwartaalbericht Q1 2026

Jules Looijmans en Tom van Berkel

|

14 april 2026

Terugblik

In de eerste twee maanden van 2026 overheerste onder beleggers een uitgesproken positieve stemming. Ondanks aanhoudende geopolitieke onrust, door onder andere de arrestatie van de Venezolaanse president Maduro en speculaties over een mogelijke overname van Groenland, zetten de aandelenmarkten hun gestage opmars voort. Het dominante gespreksonderwerp onder marktpartijen was de waardering van technologiebedrijven. Deze discussie werd aangejaagd door de uitzonderlijk grote investeringsgolf in kunstmatige intelligentie. Tegelijkertijd leek de inflatie beheersbaar en namen centrale banken, na de renteverlagingen van 2025, een afwachtende houding aan.

Deze relatieve rust maakte eind februari abrupt plaats voor een nieuwe realiteit. Met het uitbreken van het conflict tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran verschoof de focus van beleggers in korte tijd van technologie en rentevooruitzichten naar energiezekerheid en inflatierisico’s. De olieprijs steeg in hoog tempo tot ruim boven de 100 dollar per vat. Door verstoringen van het scheepvaartverkeer rond de Straat van Hormuz, een cruciale doorgang voor een aanzienlijk deel van de mondiale olie en gasstromen, nam de spanning op de energiemarkten in rap tempo toe en steeg de olieprijs in sneltreinvaart tot ruim boven de 100 dollar per vat. Hierdoor laaiden de zorgen over een nieuwe inflatiegolf opnieuw op.

De toegenomen nervositeit werkte door in vrijwel alle activaklassen. In Europa en Azië daalden de aandelenmarkten scherp. De STOXX 600 noteerde haar grootste terugval sinds 2022 en de Zuid‑Koreaanse KOSPI verloor in maart alleen al circa 19 procent. Deze daling weerspiegelde zowel de gevoeligheid van Zuid‑Korea voor hogere energieprijzen als winstnemingen na de sterke koersstijgingen van het voorgaande jaar. In de Verenigde Staten was het beeld gemengder. Na een maand met verliezen volgde op de laatste handelsdag van het kwartaal een krachtig herstel, gevoed door hoopgevende berichten over een mogelijk vroegtijdig einde van het conflict. De S&P 500 steeg die dag met bijna 3 procent, waarbij vooral aandelen in de technologie‑ en communicatiesector profiteerden.

Op de obligatiemarkten liepen zowel korte rentes als lange rentes over een breed front op. Korte rentes stegen, vanwege het inflatoire effect van de exploderende energieprijzen en de invloed daarvan op het rentebeleid van centrale banken, sneller dan lange rentes. Wat opviel was dat de markt nog niet voorbij het prijsopdrijvende effect van hoge olie- en gasprijzen keek. Er was nog weinig oog voor de economische implicaties en mogelijke recessierisico’s hiervan.

Opmerkelijk genoeg fungeerden goud en zilver niet als klassieke vluchthavens. Na explosieve prijsstijgingen in januari, waarbij beide edelmetalen recordniveaus bereikten, kwamen de prijzen onder druk te staan. Een sterkere dollar, oplopende renteverwachtingen en grootschalige winstnemingen wogen zwaarder dan geopolitieke onzekerheid. De benoeming van een meer monetair verkrappende voorzitter van de Federal Reserve versterkte de verwachting dat renteverlagingen langer uit zouden blijven. Dat zette edelmetalen extra onder druk. Daarnaast ontstond een technische verkoopgolf. Door oververhitte posities en een hoge mate van leverage werden beleggers gedwongen hun posities af te bouwen, wat leidde tot snelle en forse prijsdalingen. In sommige gevallen verloren goud en zilver binnen één handelsdag acht tot elf procent aan waarde. Dit is goed terug te zien in onderstaande grafiek. 

De huidige marktrealiteit wordt gekenmerkt door een fragiel evenwicht tussen oplopende geopolitieke spanningen, hardnekkige inflatiezorgen en een verschuiving van kapitaal richting veilige havens. Wat begon als een relatief rustig beursjaar, veranderde door het uitbreken van de oorlog in een uiterst complex beleggingsklimaat. Olieprijzen, monetair beleid van centrale banken, edelmetalen en marktsentiment raakten op onverwachte wijze met elkaar verweven. De komende weken zullen uitwijzen hoe het conflict zich verder ontwikkelt. Bij een verdere escalatie kunnen de gevolgen voor internationale toeleveringsketens aanzienlijk zijn, waardoor het risico op oplopende inflatie alsook een wereldwijde recessie verder toeneemt. Tegelijkertijd neemt de ruimte voor renteverlagingen af. Beleggers worden gedwongen hun strategie opnieuw tegen het licht te houden in een marktomgeving waarin bescherming minder vanzelfsprekend is en flexibiliteit essentieel wordt.

”Economische groei houdt stand ondanks toenemende ricico’s”

Economische trends 

In het eerste kwartaal van 2026 lieten zowel de Verenigde Staten als Europa een groei zien die stevig maar ongelijk verdeeld was.

Inkoopmanagersindices (PMI’s) wezen in de VS op een solide maar afkoelende bedrijvigheid (zie onderstaande grafiek), terwijl de eurozone bleef worstelen met zwakke productie en weifelende dienstensectoren. Het IMF beschreef de wereldeconomie als veerkrachtig en stelde de Amerikaanse groeiverwachting zelfs licht opwaarts bij. Daarbij constateerde het IMF dat de inflatie in de VS trager richting de doelstelling bewoog. De FED hield in maart het beleidstarief stabiel op 3,5–3,75%, met de verwachting dat er later in het jaar één renteverlaging mogelijk zou zijn, terwijl de inflatie rond 2,7% bleef hangen.

In de eurozone zagen we een gemengd beeld. De groeivooruitzichten verslechterden door hogere energieprijzen en zwakke vraag. De inflatie liep door geopolitieke spanningen tijdelijk op. De ECB hield haar beleidsrente op 2%, zonder dat er zicht is op een verruimend beleid. In haar meest recente toespraak benadrukte Christine Lagarde dat de ECB bereid is renteverhogingen door te voeren wanneer inflatieschokken te groot worden om te negeren.

 

Valuta 

In de eerste weken van 2026 verzwakte de Amerikaanse dollar geleidelijk ten opzichte van de euro. Op 1 januari noteerde één euro rond 1,17 dollar en tegen het einde van januari liep dit op tot circa 1,20 dollar.

In februari draaide dit beeld. De dollar won opnieuw terrein, gesteund door macro‑economische cijfers die wezen op een robuuste Amerikaanse economie, terwijl de vooruitzichten voor de eurozone verder ver-slechterden. De EUR/USD‑koers bewoog zich in deze periode voor-namelijk tussen 1,18 en 1,19. Na het uitbreken van het Iranconflict nam de vraag naar veilige activa toe en trok de dollar verder aan. Kapitaalstromen verplaatsten zich richting de Amerikaanse munt, waardoor de EUR/USD‑koers terugviel tot circa 1,14. Daarmee werd de status van de dollar als veilige haven, ondanks alle onzekerheid van het afgelopen jaar, opnieuw bevestigd.

“Marktonrust leidt tot hogere volatiliteit en verschuivingen tussen sectoren”

Aandelen 

gedragen optimisme op de wereldwijde aandelenmarkten. Sterke macro‑economische vooruitzichten, hoge winstverwachtingen en brede marktparticipatie gaven de koersen een krachtige start. Vooral small‑ en midcaps en value‑aandelen presteerden sterk. Binnen de technologiesector ontstond echter al vroeg spanning, met name bij softwarebedrijven. De Magnificent 7 kwamen onder druk te staan doordat beleggers steeds kritischer werden over de houdbaarheid en het verwachte rendement van de omvangrijke investeringen in kunstmatige intelligentie. Tegelijkertijd namen de zorgen toe binnen de softwaresector, waar vrees ontstond dat AI bestaande verdienmodellen kan ondermijnen en de concurrentiedruk structureel zal verhogen.

Regionaal presteerden Europese aandelenindices, waaronder de EuroStoxx 50 en de STOXX 600, beter dan de Amerikaanse markt. De bredere sectorstructuur bood bescherming tegen scherpe correcties binnen AI‑gedreven segmenten. Opkomende markten deden het aanvankelijk nog beter. De MSCI Emerging Markets Index presteerde sterker dan ontwikkelde markten, mede door kapitaalinstroom en hogere verwachtingen ten aanzien van winstgroei.

Vanaf februari kantelde het sentiment scherp toen de spanningen in het Midden‑Oosten escaleerden en uitmondden in een oorlog met Iran. De daaruit voortvloeiende stijging van olie‑ en gasprijzen leidde wereldwijd tot een sterke toename van volatiliteit. Europese en Aziatische aandelenmarkten daalden met 8 tot 10 procent. De S&P 500 verloor circa 4 procent en hield zich daarmee relatief beter staande. De positie van de Verenigde Staten als netto‑energie‑exporteur verminderde de gevoeligheid voor verstoringen op de energiemarkt. De koersen van verschillende wereldwijde indices is te zien in onderstaande grafiek.

Hogere energieprijzen wakkerden inflatieangst aan en verslechterden vooral de vooruitzichten voor energie‑intensieve sectoren. Energiebedrijven profiteerden juist van de stijgende olieprijzen en lieten stevige koerswinsten zien. Ook bedrijven in alternatieve energie presteerden goed, gesteund door de toenemende aandacht voor energiezekerheid en de behoefte aan alternatieve energiebronnen.

De sectorrotatie in deze turbulente periode was duidelijk zichtbaar. Defensieaandelen wisten in brede zin terrein te winnen door de toegenomen geopolitieke spanningen.

Ook sectoren die een sleutelrol spelen in de verdere uitbouw van AI‑infrastructuur, zoals halfgeleiders en hardware, bleven sterk presteren ondanks tussentijdse correcties. Daartegenover stonden cyclische sec-toren, die juist zwaar onder druk kwamen te staan door vrees voor een hoge inflatie en een beperkte economische groei.

Daarmee eindigde het kwartaal in een sfeer van onzekerheid, verhoogde volatiliteit en brede koersdalingen, waarbij slechts een beperkt aantal sectoren zich wist te onttrekken aan de neerwaartse druk.

Obligaties 

Obligatiemarkten stonden gedurende het kwartaal onder druk door zorgen over de overheidsfinanciën in zowel de Verenigde Staten als Europese kernlanden, waaronder Frankrijk. Vanaf eind februari liepen de rentes fors op. De inflatievrees nam toe door de oorlog met Iran en het perspectief op renteverlagingen later in het jaar raakte verder naar de achtergrond. In de Verenigde Staten steeg de 2- jaarsrente in maart met circa 45 basispunten, de grootste maandelijkse stijging sinds 2024. De 10- jaarsrente liep op richting 4,39 procent, maar de stijging was beduidend minder sterk dan bij kortere rentes; een signaal dat markt ervan uitging dat het conflict niet van lange duur zou zijn.

Op de kredietmarkten liepen de spreads (risicoopslagen) op. Voor investment‑grade obligaties betekende dit dat de eerder zeer krappe spreads begonnen te normaliseren: de financieringskosten stegen doordat zowel de onderliggende marktrente als de risico‑opslag opliep, wat de waarderingen kwetsbaarder maakte bij verdere rentestijgingen. In het high‑yield segment werd de impact sterker voelbaar: hier breidden de spreads sneller uit door een hogere gevoeligheid voor risk‑off bewegingen, waardoor de financieringsdruk voor zwakkere emittenten toenam en herfinancieringsrisico’s zichtbaarder werden. Toch zijn de spreads nog altijd krap en ogen de balansen van bedrijven in brede zin nog gezond.

De rente‑ en kredietrisico’s voor opkomende landen (EMD) liepen eveneens op. De Amerikaanse dollar werd sterker, waardoor het voor veel EM‑landen duurder werd om in dollars te lenen. Tegelijk stegen de wereldwijde inflatieverwachtingen, wat ertoe leidde dat beleggers hogere risicopremies (‘spreads’) vroegen. Eind februari, toen de spanningen tussen de VS en Iran opliepen, werden EMD‑obligaties extra kwetsbaar. Vooral energie‑ importerende landen kwamen zwaarder onder druk te staan, omdat de stijgende olieprijzen hun begroting en handelsbalans verslechterden. Spreads op hard‑currency staatsobligaties liepen uit en de financieringskosten stegen

Goud

Geopolitieke instabiliteit dreef de goudprijs in de eerste maanden van het jaar naar recordhoogten. Bij aanvang van het conflict tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran liep de prijs binnen enkele dagen op tot boven 5.300 dollar per troy ounce. Toen duidelijk werd dat het conflict langer zou aanhouden, volgde een scherpe correctie tot circa 4.200 dollar. Deze daling werd vooral veroorzaakt door liquidaties om aan marginverplichtingen en liquiditeitsbehoeften te voldoen. Bovendien was er veel speculatief geld in grondstoffenmarkten geslopen dat nu van tafel verdween. Oplopende renteverwachtingen en een sterkere dollar vergrootten de neerwaartse druk nog verder. De huidige zwakte oogt vooral tactisch en niet als een fundamentele trendbreuk. Goud behoudt zijn rol als bescherming tegen monetair beleid, geopolitieke onzekerheid en valutavolatiliteit.

“Conflict in het Midden-Oosten drijft energieprijzen op”

Olieprijs

Aan het begin van 2026 bewoog de prijs van Brent‑olie in een bandbreedte van 65 tot 70 dollar per vat. Na het uitbreken van de oorlog eind februari steeg de olieprijs scherp. De dreigende blokkade van de Straat van Hormuz voedde zorgen over langdurige verstoringen van olie‑ en gastransporten en tilde de prijs op tot bijna 120 dollar.

Een langdurige ontwrichting van energie- en toeleveringsketens kunnen de prijs nog verder opdrijven. Zolang onduidelijk is wanneer de oorlog en de bezetting van de Straat van Hormuz ten einde komt zal de prijs hoog blijven, met alle gevolgen van dien. De effecten zijn op veel breder front voelbaar dan alleen aan de benzinepomp. De hoge energieprijzen hebben hoe dan ook een negatief effect op de inflatieontwikkeling. Vooral Europa en opkomende markten zijn erg kwetsbaar aangezien deze regio’s netto olie importeren. De Verenigde Staten exporteert juist een aanzienlijk deel van hun energie, zoals aangegeven in onderstaande grafiek.

Cryptovaluta

Cryptovaluta kenden een zwak eerste kwartaal van 2026. Het marktsentiment werd gedomineerd door een uitgesproken risk‑off omgeving. Geopolitieke spanningen, hogere energieprijzen en het uitblijven van renteverlagingen drukten het vertrouwen in digitale activa. Bitcoin verloor in euro’s gemeten circa 22 procent. Het grootste deel van deze daling vond plaats tussen eind januari en begin februari. In maart stabiliseerde de koers, waarbij de volatiliteit beperkt bleef ondanks de aanhoudende onrust op financiële markten.

Samenvattend

Wat begon als een periode van optimisme, gedragen door technologische innovatie en afnemende inflatiedruk, sloeg abrupt om door een sterke escalatie van geopolitieke spanningen. De oorlog in het Midden-Oosten zette energieprijzen onder druk, voedde nieuwe inflatiezorgen en dwong centrale banken tot een terughoudender beleid. Traditionele zekerheden, zoals goud en staatsobligaties, boden slechts gedeeltelijke bescherming, terwijl markten gekenmerkt werden door verhoogde volatiliteit en duidelijke sectorrotatie. De onderlinge verwevenheid van geopolitiek, monetair beleid en marktsentiment laat zien hoe kwetsbaar het mondiale financiële systeem is geworden. Voor beleggers vraagt deze omgeving om discipline, risicobewustzijn en flexibiliteit, nu de marktdynamiek wezenlijk is veranderd en onzekerheid voorlopig het dominante thema blijft.

Disclaimer 

De informatie die is opgenomen in deze publicatie is uitsluitend bestemd voor algemene doeleinden. De in deze publicatie vermelde gegevens zijn ontleend aan door Duisenburgh Vermogen B.V. betrouwbaar geachte bronnen en publiekelijk bekende informatie. Ondanks een zorgvuldige controle van deze informatie kunnen wij niet garanderen dat de informatie steeds correct of volledig is. Duisenburgh Vermogen B.V. aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor eventuele onjuistheden. De informatie in deze publicatie is generiek van aard en houdt daarom geen rekening met de specifieke beleggingsdoelstellingen, de persoonlijke financiële situatie en persoonlijke behoeftes. Het kan dan ook niet aangemerkt worden als een persoonlijk advies; het biedt onvoldoende basis voor het nemen van een beleggingsbeslissing. Wij adviseren u voorafgaand aan een eventuele actie deskundig advies in te winnen. Deze publicatie is geen aanbod en u kunt aan deze publicatie geen rechten ontlenen. De waarde van uw belegging kan fluctueren. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst. 

Duisenburgh Vermogen B.V. heeft een vergunning en staat onder toezicht van de Autoriteit Financiële markten en De Nederlandsche Bank.